De plaatsnaam Haastrecht (1)

(Bron : Haastrecht, Hoofdstukken uit het ontstaan en de ontwikkeling van 'die Steede ende Landen van Haestregt' tot begin 19e eeuw, Dr. A.J. Kölker, Hollandse Studiën 6, Dordrecht 1974):

De oudste spelling en oorspronkelijke benaming treffen wij aan in de oorkonden van 1108: Hauekesdret, van 1139: Havekesdrecht en van 1155. Hauekesdreht 145. Toen deze naam in vergetelheid was geraakt en van lieverlee vervormd tot Haastrecht, heeft men bij de verklaring van de naam al het mogelijke bij elkaar gefantaseerd. Veelal zijn het volkse uitleggingen, die men wetenschappelijk gezien moeilijk serieus kan nemen, maar die als alle mythen een hardnekkig onoverwinnelijk bestaan leiden.

Zo zou de naam zijn oorsprong vinden in het feit, dat de IJssel of de weg over de dijk 'haast recht' loopt, of dat de toren 'haast recht' zou staan. Ook de verklaring, die Haastrecht wil zien als een drecht of overgang voor hazen, is wat betreft het eerste lid volkomen uit de lucht gegrepen 146. De verklaring van Van Zijll, die het eerste lid in verband brengt met aas, een godheid der heidenen, dus een overgang bij de IJssel, waar een of andere god vereerd werd 147, is misschien wel ingenieus gevonden, maar gezien de door ons geciteerde oudste vormen, onmogelijk te handhaven.

Wanneer Van Berkum naar de verklaring van de naam Schoonhoven zoekt, vermeldt hij de opvatting, dat de oorspronkelijke benaming Schoonhaven geweest zou zijn. Haveskedrecht wil hij dan zien als een overvaart, een drecht aan het havesce, waardoor dit een en dezelfde naam voor Schoonhoven zou zijn 148.

De meest populaire verklaring is het verhaal van Van Ollefen, die weliswaar verklaart de eigenlijke betekenis van de naam niet te kennen, maar toch ook niet kan nalaten een vertelling mee te delen uit de schoole der aloude beuzelary, hetwelk zijn correspondent nu omtrent twee jaare geleden, binnen de stad Delft van een zeer oud man vernam 149. Het verhaal komt sindsdien bij verschillende schrijvers voor, zelfs in het grote aardrijkskundig woordenboek van Van der Aa 150.

 Hoewel verschillende schrijvers het tweede lid goed verklaarden, nl. als een overgang, een veer, een doorwaadbare plaats etc. bij een rivier of water zoals bijv. ook Utrecht, Maastricht, Moordrecht, Dordrecht e.a. 151 heeft men lang geen raad geweten met het eerste lid. Voor het verstaan hiervan moeten we terug naar de oudste vormen zoals we die boven zagen. Ook de vorm Havestrecht, die rond 1280 voorkomt, wijst op eenzelfde oplossing 152. Muller wijst bij zijn verklaring nog op een parallel Hauecsdunc, Havicsdonc.

 Hij veronderstelt, dat men in deze plaatsnamen niet rechtstreeks de oorspronkelijke vogelnaam moet aannemen, maar de daaruit gesproten mansnaam Havik, die in Holland van ouds niet ongewoon was 153. Volgens Spijkerboer zou de naam echter evengoed een verkleinvorm haveke kunnen zijn van de in de Middeleeuwen in Zuid-Holland voorkomende mansnaam Have (vgl. Habo, Habilo). Havestrecht is dan rechtstreeks uit deze mansnaam gevormd, evenals de daarnaast voorkomende oudere en vollere, met de verkleinvorm samengestelde benaming Havekesdrecht. Beide vormen kunnen, als zo vaak, naast elkaar bestaan en om de voorrang gedongen hebben, zoals bijv. Evinge niet Evekinge in Drente 154.

De meest aannemelijke verklaring wijst dus in de richting van een overgang, een veer ter plaatse, toebehorende aan een zekere Have of Havik. Wie deze persoon geweest is en wanneer hij precies leefde, is bij gebrek aan gegevens niet meer na te gaan, maar zeker mag men aannemen, dat deze overgang niet ontstaan is in een geheel ongecultiveerde en onbewoonde streek en dat er ten tijde van deze Have een, waarschijnlijk wel beperkte, nederzetting bestond, terwijl deze overgang van belang was als verbindingsschakel voor de bewoners uit wijdere omtrek.

Ook de juiste ligging van het veer is moeilijk nader te bepalen, al is het zeer waarschijnlijk, dat dit gelegen heeft bij de monding van de Vlist in de IJssel 155. Omdat de haven (en de havensluis) later is aangelegd en dus een kunstmatige uitmonding vormt 156, maakt de uitlaat bij het gemaal van de Hoge Boezem de meeste kans. Archivalia, die hierop een afdoend antwoord zouden kunnen geven, zijn er echter niet meer.

___________

Noten bij artikel van Dr. A.J. Kölker:

145: OBU, I, 280, 3 78 en 41 l; ook komt de vorm Hastriht al vroeg voor, nl in 1284, zie Hoevenaars, Arch. Berne, 121; Hauestrecht, 1275/80 in OBHZ, suppl. 209

146 Muller, Drecht, 45; VAN OLLEFEN en Bakker, Beschrijver, V.

147 VAN Zijll, Oudewater, 73.

148 VAN Berkum, Schoonhoven, 5-8.

149 VAN OLLEFEN en Bakker, Beschrijver, V.

150 VAN DER AA, Krimpenerwaard, V, 79-80. We geven hier verhaal, zoals we dat bij Van OLLEFEN lezen: 'Voor enige eeuwen geleden zou de bailliuw een gevangene gekregen hebben en wel juist tijdens de hooibouw. De rechters, die boeren waren, hadden hun handen vol werk en geen tijd om het doodvonnis uit te voeren. Uitstellen zou echter ook veel kosten. Besloten werd de gevangene voortestellen naar zijn vrienden en bekenden te gaan om afscheid van hen te nemen, om dan, op vastgestelde datum terug te komen en opgehangen te worden. De gevangene had echter één moeilijkheid. Omdat hij geen geld bezat en zijn familie hem niet kon onderhouden, zou hij derhalve genoodzaakt worden te stelen en zo gevaar lopen elders in handen der justitie te vallen. Zijn thans gegeven woord van eer, terug te komen om opge- hangen te worden, zou hij dan niet kunnen houden. De rechters gaven hem daarom iets mee, genoeg voor reis- en kostgeld. Onnodig te zeggen dat de veroordeelde niet meer terug kwam. Ongeveer één jaar later had men weer een gevangene, en wederom in de hooitijd. Ten einde niet weer bedrogen te worden werd de misdadiger zonder vorm van proces opgehangen. Enige dagen daarna ontdekte men veel te snel gehandeld te hebben al waarom Haastrecht niet alleen desselfs halsrecht zoude verloren hebben, maar ook zoude het toen, ten schande den naam HAAST REGT, dat is overhaast gegeven weezen.'

151 Blok, Drecht, 12.

152 OBHZ, suppl. 209; vgl. ook JOOSTING en MULLER, Kerkelijke rechtspraak, 1, 29.

153 Mullert, Drecht, 45.

154 Spijkerboer, Drechtnamen, 141.

155 Vink, Lekstreek, 257, meent, dat de Vlist slechts aan één einde gemeenschap had met het buitenwater, nl. een vrije uitmonding in de IJssel. Bij de Langerakse molens zoekt hij de oor- sprong, een kwel, die het grondwater dat van de Lek kwam aan de oppervlakte bracht.

156 VAN BALEN, Haastrecht, 7, meent, dat de mond van de Vlist zo sterk verlandde, dat men vóór of in 1155 genoodzaakt was een kanaal te graven teneinde het water in de IJssel te lozen: de haven in Haastrecht. DEN UYL, Lopikerwaard, 11, 393, meent echter dat de Vlist ca. 1100 is afgedarnd en dat het laatste bochtige gedeelte nog terug te vinden is in het verloop van de huidige Liezeweg.

OBU : Oorkondenboek van het Sticht Utrecht, door S. Muller e.a. 5 dln. Utrecht / 's -Gravenhage, 1920-1959 , OBHZ : Oorkondenboek van Holland en Zeeland I : Ph. C.van den Bergh, Amsterdam/'s - Gravenhage ,1866

 

De plaatsnaam Haastrecht (2)

(bron : Prisma Nederlandse plaatsnamen , 1e Druk 1995, ISBN 90 274 4059 X)

Haastrecht [gem: Vlist, ZH] 1108 cop. 12 E Havekesdret; 1155 Havekesdreht;1333 Haestrecht; samengesteld uit de persoonsnaam Haveke en drecht 'veer, vaarwater'

De plaatsnaam Haestert

Haestert of Haastert :Dit was de 'volkse' benaming van de plaats Haastrecht. Soortgelijke benamingen zijn of waren er te vinden voor Dordrecht ( Dordt) en Utrecht (Uitert).